Bewegingsonderwijs

Vanaf groep drie krijgen de kinderen twee keer in de week bewegingsonderwijs. Beide lessen worden door vakleerkrachten gegeven aan de hand van de methoden “Basislessen bewegingsonderwijs” en het Basisdocument.

De methoden gaat uit van het spelen in kleine groepen (8 à 10 kinderen). De gymzaal wordt bij de meeste lessen in drie vakken verdeeld en ik elk vak word dan een onderdeel aangeboden. Door het oefenen en spelen in kleine groepen wordt er intensiever aandacht besteed aan de technische en tactische vaardigheden. Door in kleine groepen te spelen ontstaat voor elk kind de mogelijkheid om alle aspecten van het aangeboden onderdeel te beleven, zoals winnen en verliezen, aanvallen en verdedigen, scoren, tikken en getikt worden, omgaan met niveauverschillen, conflicten etc. Daarnaast kunnen zij op die manier de hulp en aandacht krijgen die zij nodig hebben. Natuurlijk wordt er ook aandacht besteed aan klassikale lessen, waarin een spel met de hele klas gespeeld wordt. Twee keer per jaar krijgen de kinderen een conditietest die goed weergeeft op welk niveau de kinderen zich conditioneel bevinden.

Bij het bewegingsonderwijs bij ons op school vormen twaalf leerlijnen, onderverdeeld in bewegingsthema’s en de daarbij behorende bewegingsproblemen, de inhoud van de les. De onderdelen die in een jaar aan bod komen zijn aangepast op het niveau van de kinderen. In de loop van het schooljaar en in de jaren erna neemt de complexiteit van de onderdelen toe.

  1. Balanceren
    • Balanceren: handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsverstoringen bij het verplaatsen op een (in)stabiel vlak.
    • Glijden: Vaart maken op een glijvlak om in balans vaart te behouden.
    • Acrobatiek: In balans uitvoeren van een beweging of pose in samenwerking met anderen.
  2. Klimmen
    • Klauteren: creëren en handhaven van voldoende grip of steun om te kunnen verplaatsen over klautervlakken.
    • Klimmen: creëren van steunpunten in touwen om te kunnen verplaatsen in een touw.
  3. Zwaaien
    • Schommelen: meebewegen in zit of stand op een schommeltoestel om de zwaai te vergroten of te onderhouden.
    • Hangend zwaaien: meebewegen aan een zwaaiend toestel om de zwaai te vergroten of te onderhouden.
    • Steunend zwaaien: inzetten van rotatie tot over de kop gaan en tijdig deze rotatie weer afremmen.
  4. Over de kop gaan: inzetten van rotatie tot over de kop gaan en tijdig deze rotatie weer afremmen.
  5. Springen
    • Vrije sprongen: afzetten om lang in de lucht te zweven.
    • Steunspringen: afzetten om lang te zweven voor en/of na de handenplaatsing op een steunvlak.
    • Loop springen: passeren van een hindernis en gelijkmatig door kunnen lopen of springen na de hindernis.
    • Touw springen: afzetten om in herhaling in/over een ronddraaiend touw te springen.
    • Ver- en hoogspringen: afzetten om een zo groot mogelijke afstand of hoogte te overbruggen.
  6. Hardlopen: lopen om zo snel mogelijk ergens te komen.
  7. Mikken
    • Wegspelen: wegspelen van een speelvoorwerp om dit zo hard en/of ver mogelijk weg te krijgen
    • Mikken: wegspelen van een speelvoorwerp om dit zo precies mogelijk in of tegen een mikdoel te krijgen
  8. Jongleren
    • Werpen en vangen: wegspelen van een speelvoorwerp zodat dit gevangen kan worden.
    • Soleren: een speelvoorwerp tikkend in beweging houden.
    • Retourneren: heen en weer tikken (slaan) van een speelvoorwerp samen met een medespeler.
  9. Tikspelen
    • Tikspelen: bedreigen van lopers om deze te tikken terwijl de lopers proberen het tikken te voorkomen.
    • Afgooispelen: lopers proberen af te gooien die het afgooien proberen te voorkomen.
    • Honkloopspelen: bedreigen van lopers tussen de honken om uit te tikken of uit te branden terwijl de lopers proberen dit te voorkomen
  10. Doelspelen
    • Keeperspelen: passeren van een tegenspeler om een doel te raken terwijl de tegenspeler probeert de bal te onderscheppen om het doel te verdedigen.
    • Lummelspelen: passeren van de lummel om de bal naar een medespeler over te spelen terwijl de tegenspeler probeert de bal te onderscheppen om zelf in balbezit te komen.
    • Aangepaste sportspelen: komen tot een doelpoging door het openen van aan- en afspeellijnen terwijl de tegenspelers proberen de bal te onderscheppen en een doelpoging proberen te voorkomen.
  11. Stoeispelen: duwen of trekken aan een tegenstander om deze uit balans te brengen terwijl deze probeert deze balansverstoring te voorkomen.
  12. Bewegen op muziek: uitvoeren van verschillende bewegingspatronen op de muziek.

De kinderen ontvangen op het rapport drie cijfers, namelijk voor spel, oefening en inzet. Het spelcijfer wordt gevormd door het gemiddelde van mikspelen, doelspelen, tikspelen. Het cijfer voor oefening wordt samengesteld door het gemiddelde van de overige leerlijnen. Inzet kan worden gedefinieerd als je best doen, moeite doen, aandacht/focus, toewijding, werklust, ijver. Het heeft te maken met de manier waarop de leerling de motorische vaardigheid uitvoert en in welke mate de leerling leergierig is in het onder de knie krijgen van het bewegingsprobleem. Er wordt bij dit cijfer ook rekening gehouden met houding, omgang met kinderen, in acht nemen van (spel)regels en het in acht nemen van bepaalde normen en waarden.