zomer – herfst

 

Rekenen blok 1 & 2

Oriëntatie op de getallen tot en met 1000

Optellen en aftrekken tot en met 100

Optellen en aftrekken tot en met 100 in contexten

Handig rekenen (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen)

Halveren (tot 100 euro)

Herhalen vermenigvuldigen tafels 0 t/m 6 en 10

Introductie tafel van 7 en 8

Oefenen met deelsituaties

Geld: teruggeven tot 100 euro

Tijd: herhalen hele uren en halve uren en kwartieren (analoog en digitaal)

Tijd: introductie van de minuut

Meten: herhalen meter, centimeter

Meten: introductie van de kilometer, van de gram en verhoudingen

Meetkunde: verkennen van symmetrie en vogelvluchtperspectief

 

Spelling Thema 1 & 2

Woorden met  ng (tong, botsing)

Woorden met  nk (bank, zinken)

Woorden met eer, oor, eur (beer, afkeer, boor, spoorweg, deur, beurten)

Woorden met aai, ooi, oei (haai, zwaaien, kooi, prooien, boei, sproeien)

Woorden met eeuw, ieuw, uw (sneeuw, spreeuwen, kieuw, benieuwd, duw, zwaluw)

Woorden met ch en ch(t) (lach, lichaam, nacht, speurtocht)

Woorden met ei, ij (trein, weiland, ijs, tijger)

 

Taalverkennen Thema 1 & 2

Alfabetiseren op 1e, 2e  en 3e letter

Werkwoord (zitten)

Zelfstandig naamwoord (bank)

Bijvoeglijk naamwoord (mooie)

Onregelmatige meervoudsvormen (schip, schepen)

Verkleinwoord met -etje en -kje

Zinnen uitbreiden met wat-, wanneer- en waardeel

Zinnen samenvoegen met voegwoorden (want)

 

 

Woordenschat Thema 1 & 2

Themawoorden die te maken hebben met het thema ‘regels’.

Themawoorden die te maken hebben met het thema ‘zintuigen’.

 

Schrijven Thema 1 & 2

Het schrijven van een toelichting bij een foto

Het schrijven van een speluitleg

Het schrijven van een verslag

Het schrijven van een gedicht met rijm

 

Spreken en luisteren Thema 1 & 2

De weg uitleggen

Verslag uitbrengen

Gedicht voordragen

Overleg voeren

 

Technisch Lezen

Drielettergrepige woorden eindigend op open lettergreep

Woorden met ~é~

Woorden met ‘s~ of ~‘s

Woorden met ~x~

Woorden met ~c~ (uitspraak /s/ en /k/)

Woorden met ~cc~ (uitspraak /ks/ en /kk/) en ~ck~

Woorden met ~y~ (uitspraak /ie/ en /j/) en ~ey (uitspraak /ie/)

Woorden met ~iaa~ en ~ioo~

Woorden met twee klinkers die samen geen tweeklank vormen (radio, piano, podium)

 

Begrijpend Lezen blok 1

Details; overeenkomsten en verschillen tussen details vinden, details vergelijken en afleiden.

Hoofdgedachte vinden

Verwijswoorden herkennen en gebruiken

 

p7060005.jpg